Woensdag

14 augustus

9u30 tot 19u
6/19

Donderdag

15 augustus

9u30 tot 19u
12/19

Vrijdag

16 augustus

9u30 tot 19u
9/19

Zaterdag

17 augustus

9u30 tot 19u
13/20

Zondag

18 augustus

9u30 tot 19u
11/19

Maandag

19 augustus

9u30 tot 19u
9/20

Dinsdag

20 augustus

9u30 tot 19u
11/19

Op 16 december 1944 wordt het offensief gelanceerd. Het druilerige weer houdt de vliegtuigen van de geallieerden aan de grond. Vier Duitse legers met in het totaal bijna 250 000 mannen overspoelen het gebied van Monschau tot Echternach. De verrassing is compleet, zowel voor de Belgen als voor de Amerikaanse troepen die uitrusten in de streek. Ze zijn met veel minder en worden in geen tijd overrompeld. Toch kunnen ze de Duitse opmars op verschillende plaatsen afremmen. Zo vordert het zesde pantserleger, dat Antwerpen moet innemen, minder snel dan voorzien. Het vijfde Duitse leger wint wel terrein nadat het werd opgehouden in Sankt Vith. Nog voor 25 december nemen zijn troepen onder meer Manhay, Houffalize, La Roche, Rendeux, Saint-Hubert en Rochefort in. De reactie van de legerstaf laat niet op zich wachten. Vanaf 17 december worden meerdere divisies naar de Ardense frontlijn gestuurd. Dankzij de vertragingen van de eerste dagen, de militaire macht van de geallieerden en het brandstoftekort waar de Panzers mee te kampen hebben, wordt de Duitse opmars uiteindelijk een halt toegeroepen. Met Kerstmis wordt de aanval definitief afgeslagen nabij Dinant. Maar daarmee zijn de confrontaties nog niet achter de rug. Op sommige plaatsen worden ze zelfs nog heviger. Op 28 december besluit Hitler om de mars op Antwerpen op te geven. Hij wil de meeste van zijn troepen concentreren rond Bastenaken. De omsingelde stad biedt al sinds 19 december weerstand, met name dankzij de inspanningen van de 101st Airborne Division, die versterking krijgt van de 10th Armored Division. De stad en de omgeving worden het toneel van hevige gevechten. Nadat de omsingeling van de stad op 26 december vanuit het zuiden wordt doorbroken, moet het 3e Amerikaanse leger van generaal Patton de vijand terugdringen. Die wil nog altijd de stad innemen. Die is immers zo symbolisch geworden.

Op 23 december klaart de hemel op. Van dan af kunnen de vliegtuigen van de geallieerden opnieuw opstijgen. Ze zetten de aanval op de vijand in aan het front, maar bombarderen systematisch ook de achterste linies. Zo willen ze de bevoorrading belemmeren. De bezette gebieden lijden sterk onder deze luchtaanvallen. De stadjes La Roche-en-Ardenne eHouffalize bevinden zich allebei in een ingesloten vallei. Ze worden letterlijk met de grond gelijk gemaakt tijdens de doortocht van de Duitse tanks naar het front. Volgens historicus Peter Schrijvers liet ongeveer een derde van de burgerslachtoffers van de Slag om de Ardennen het leven tijdens de luchtaanvallen van de geallieerden. Het bevriende en vijandelijke geschut maakt ook veel slachtoffers onder de bevolking. Bovendien worden talrijke bewoners getroffen door mijnen, granaten en natuurlijk kogels. Naast de mensen die in de chaos van de strijd gedood worden door de soldaten of door verdwaalde kogels, worden meer dan 250 burgers afgeslacht door de nazi’s.

Tijdens dergelijke beproevingen zoeken de inwoners vaak bescherming bij elkaar. Dankzij die solidariteit zijn ze beter opgewassen tegen de situatie. Sommigen verbergen zich in de bossen, anderen in stallen of schuren. De meeste burgers schuilen in de kelders van hun huizen. Die delen ze soms met bevriende of vijandelijke soldaten. Op kalme momenten verlaten de volwassenen hun schuilplaatsen om het hoogstnoodzakelijke te halen, het vee te verzorgen of de doden te begraven.

Tijdens de strijd ervaart de bevolking zowel angst als woede. Jean Guillaume, een dertienjarig jongetje uit Sibret (dichtbij Bastenaken) beschrijft later zijn indruk van de burgers in de kelders: “De soldaten verplaatsten zich, beschermden zich, ze leidden het spel.” De burgers daarentegen werden “als strohalmen meegesleurd door de stroming”. In deze situatie biedt de godsdienst soms een toevlucht, zeker in de vrome streek die de Ardennen in die tijd is.   

Voor de bewoners van het noorden van de frontlinie duurt de lijdensweg meer dan een maand. De geallieerden moeten de bezetter voorbij zijn startpositie terugdringen. Op 3 januari 1945 doen het 1e Amerikaanse leger en het 30e korps van het Britse leger een tegenaanval vanuit het noordwesten. De Duitse troepen beginnen zich beetje bij beetje terug te trekken. Toch bieden ze hardnekkig weerstand. Het tegenoffensief van de geallieerden verloopt langzaam en moeizaam voor beide kampen. Die hebben ook te lijden onder het winterweer. De temperatuur zakt soms tot 20 graden onder nul en er ligt meer dan 40 centimeter sneeuw. De strijd verloopt dus in moeilijke omstandigheden. De situatie is voor de Duitsers nog veel lastiger omdat hun bevoorrading belemmerd wordt. Het weer vertraagt ook de voortgang van de troepen. Talrijke loopgraven bevriezen. De Britten en Amerikanen kunnen langzamerhand toch de vijand terugdringen, hoewel die stevig terugvecht. Het 1e Amerikaanse leger dat uit het noorden komt, sluit op 16 januari in Houffalize aan bij de troepen van generaal Patton. Die nadert vanuit het zuiden. De Amerikanen maken zich op 23 januari 1945 meester van Sankt Vith. Op 31 januari worden de Duitse legers teruggedrongen voorbij hun posities van anderhalve maand eerder. De Slag om de Ardennen is ten einde. Van dan af zetten de Amerikanen hun aanvallen voort in de richting van de stuwdammen van de Roer. De rivier de Roer bepaalt de grens tussen de Hoge Venen en Duitsland. Meer naar het noordwesten trekken de Britten naar de Duits-Nederlandse grens in het gebied van de Beneden-Rijn.

De betrokkenen van deze veldslag tellen aanzienlijke verliezen. Het exacte aantal doden, gewonden, gevangenen of verdwenen personen is moeilijk te bepalen. Naargelang de bronnen zou het Reich tussen 70 000 en 110 000 mensen verloren hebben. Aan de kant van de geallieerden zou het gaan om 75 000 tot 80 000 soldaten. Ook bij de burgers die in de vuurlinie bleven, is de balans zwaar. In België werden tussen 2 000 en 2 500 personen gedood, terwijl in het Groothertogdom Luxemburg ongeveer 500 mensen het leven lieten. Ook de infrastructuur in het getroffen gebied had zwaar te lijden onder de confrontaties. Minstens 11 000 huizen in de drie Belgische provincies Namen, Luik en Luxemburg waren totaal onbewoonbaar.